We hebben in Nederland en daarbuiten steeds vaker te maken met weersextremen. Dit zorgt, mede door klimaatverandering, vaker voor hoogwater in het rivierengebied en ook voor periodes met langduriger, extreem laagwater. Daarnaast daalt de bodem van rivieren steeds verder door erosie. Het gevolg: landbouw en natuur verdroogt, de bevaarbaarheid verslechtert en de zoetwaterverdeling staat onder druk. Daarom werken Rijk en regio binnen Ruimte voor de Rivier 2.0 samen om het rivierengebied toekomstbestendig te maken én te houden voor volgende generaties. Om de toekomstbestendige inrichting van het rivierengebied te realiseren, nemen we in 2026 een besluit over twee onderwerpen.
Besluit 1: erosie stoppen
Het is belangrijk dat we op korte termijn besluiten nemen over de inrichting van het rivierengebied. De gevolgen van erosie voor landbouw, natuur, scheepvaart en funderingen van gebouwen zijn nu namelijk al merkbaar. Als we niet ingrijpen, worden deze gevolgen alleen maar groter. Daarom wordt besloten met welke maatregelen de erosie tegengegaan kan worden. Dit kan op verschillende manieren.
- Met suppletie vul je de bodem die is uitgesleten op door sediment (zoals grind of zand) te storten. Deze methode helpt alleen niet om erosie ook in de toekomst te voorkomen. Daarom wordt er ook gekeken naar maatregelen om de rivier meer ruimte te geven door de vorm van het rivierbed aan te passen.
- Met een meergeulensysteem wordt de hoofdgeul versmald. In de uiterwaard of op de plek van de kribben wordt vervolgens een geul aangelegd. Hierdoor is er voldoende vaardiepte bij laagwater. Bij hoogwater stroomt een deel van het water via de nieuwe geulen. Zo neemt de stroomsnelheid van het water in de hoofdgeul af en vermindert dus ook de bodemerosie.
Besluit 2: ruimte voor veilige waterafvoer
Om er zeker van te zijn dat rivieren de hogere waterstanden in de toekomst kunnen blijven afvoeren, kijken we ook naar een combinatie van maatregelen: dijkversterking, maatregelen in de uiterwaarden (buitendijks) en het inzetten van binnendijkse ruimte. Op plekken waar dijkversterking niet meer mogelijk is of waar knelpunten in het riviersysteem ontstaan, reserveren we ruimte voor de rivier. Door nu de ruimte te reserveren zijn we er zeker van dat we de maatregelen die we in de toekomst moeten nemen, ook kunnen nemen. Hierbij kijken we vooruit naar 2100 en zelfs 2200. Het besluit in 2026 gaat over op welke locaties binnendijkse ruimte gereserveerd moet worden, er worden nog geen precieze gebieden aangewezen.
De toekomst is niet volledig te voorspellen. Daarom zijn in de onderzoeken meerdere scenario’s naast elkaar gezet. Zo wordt voorkomen dat er nu beslissingen worden genomen, waar we later spijt van krijgen of dat we maatregelen treffen waar we later last van gaan krijgen. Als deze locaties nu niet worden aangewezen, bestaat de kans dat er ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, waardoor rivierverruiming tot veel schade leidt of zelfs onmogelijk wordt.
Binnen het besluit dat we in 2026 nemen, kijken we ook of de huidige binnendijkse ruimtereserveringen moeten blijven bestaan of moeten komen te vervallen. Het is mogelijk dat er nieuwe reserveringen bijkomen. Het besluit gaat ook over hoe het extra water dat bij extreem hoogwater Nederland binnenkomt, wordt verdeeld over de Waal, IJssel en Nederrijn-Lek. Dit bepaalt mede hoeveel ruimte de rivier nodig heeft. In 2026 besluiten we nog niet over welke maatregelen precies genomen worden en ook niet over wanneer een maatregel in een reserveringsgebied nodig is. Dit wordt tot en met 2028 uitgewerkt.
Lees meer over reserveringsgebieden.
Bij de twee besluiten houden we rekening met:
- Een veilige waterafvoer, ook bij hoogwater;
- De beschikbaarheid van zoetwater, onder meer voor drinkwater;
- Natuur en ecologische waterkwaliteit;
- Bevaarbaarheid;
- Regionale economische ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit.