Ruimte voor veilige waterafvoer

Om er zeker van te zijn dat rivieren de hogere waterstanden in de toekomst kunnen blijven afvoeren, kijken we ook naar een combinatie van maatregelen: dijkversterking, maatregelen in de uiterwaarden (buitendijks) en het inzetten van binnendijkse ruimte. Op plekken waar dijkversterking niet meer mogelijk is of waar knelpunten in het riviersysteem ontstaan, reserveren we ruimte voor de rivier. Door nu de ruimte te reserveren zijn we er zeker van dat we de maatregelen die we in de toekomst moeten nemen, ook kunnen nemen. Hierbij kijken we vooruit naar 2100 en zelfs 2200. 

De toekomst is niet volledig te voorspellen. Daarom zijn in de onderzoeken meerdere scenario’s naast elkaar gezet. Zo wordt voorkomen dat er nu beslissingen worden genomen, waar we later spijt van krijgen of dat we maatregelen treffen waar we later last van gaan krijgen. Als deze locaties nu niet worden aangewezen, bestaat de kans dat er ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, waardoor rivierverruiming tot veel schade leidt of zelfs onmogelijk wordt. 

Binnen het besluit dat we in 2026 nemen, kijken we ook of de huidige binnendijkse ruimtereserveringen moeten blijven bestaan of moeten komen te vervallen. Het is mogelijk dat er nieuwe reserveringen bijkomen. Het besluit gaat ook over hoe het extra water dat bij extreem hoogwater Nederland binnenkomt, wordt verdeeld over de Waal, IJssel en Nederrijn-Lek. Dit bepaalt mede hoeveel ruimte de rivier nodig heeft. In 2026 besluiten we nog niet over welke maatregelen precies genomen worden en ook niet over wanneer een maatregel in een reserveringsgebied nodig is. Dit wordt tot en met 2028 uitgewerkt.