Het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 (RvdR2.0) werkt aan een toekomstbestendige inrichting van het rivierengebied. Daarom besluiten we in 2026 onder meer over de hoeveelheid ruimte die nodig is om water in de toekomst veilig te kunnen blijven afvoeren. Zeker in het geval van hoge afvoeren staan we hier voor een uitdaging. En juist deze hoge afvoeren verwachten we vaker. Daarom wordt er ook een besluit genomen over hoe het water over de Rijntakken verdeeld wordt bij extreem hoogwater. In dit artikel leggen we uit hoe deze waterverdeling werkt en waarom deze zo belangrijk is.

We krijgen door klimaatverandering steeds vaker extremere hoogwaterstanden. Ook dan moeten rivieren deze grote hoeveelheden water goed kunnen blijven afvoeren. Daarom proberen we het water bij extreem hoogwater zo goed mogelijk over de verschillende rivieren te verdelen. Hier hebben we niet volledig invloed op, maar er kan wel in bijgestuurd worden. Binnen RvdR2.0 wordt voor de Rijntakken (de Waal, de IJssel en Nederrijn-Lek) de afvoerverdeling bij extreem hoogwater onderzocht. Met als doel om de gewenste afvoerverdeling bij extreem hoogwater voor de lange termijn over de Rijntakken vast te stellen.

Afvoerverdeling bij extreem hoogwater

De verdeling van water over de Waal, het Pannerdensch Kanaal, de Nederrijn-Lek en de IJssel wordt bepaald door de huidige vorm van splitsingspuntengebied en door twee regelwerken waarmee de verdeling een beetje kan worden bijgestuurd (zie kader). Deze verdeling is nu strak vastgelegd bij een afvoer van 16.000 m3/s. Het besluit dat RvdR2.0 voorbereid, gaat over de verdeling van het extra water boven die 16.000 m3/s, het ‘surplus’. Dus als er 18.000 m3/s Nederland binnenkomt, moet een surplus van 2.000 m3/s worden verdeeld over de Waal en de IJssel. Een afvoer van 16.000 m3/s is trouwens al heel erg veel en is tot nu toe nog niet voorgekomen. Het besluit dat wordt genomen gaat dus niet over de waterverdeling bij lage, normale of enigszins hoge afvoeren.

Om te bepalen welke afvoerverdeling het meest gewenst is, wordt niet alleen gekeken naar de technische haalbaarheid. Bij het besluit worden ook effecten op veiligheid, ruimtegebruik, natuur, scheepvaart, kosten en beheer mee. Deze afweging heeft niet alleen invloed op het splitsingspuntengebied, maar op de volledige riviertakken.

Wat als de waterafvoeren (extreem) hoog zijn?

Op dit moment is afgesproken dat voor de verdeling van de extra waterafvoer tussen 16.000 en 18.000 m3/s over de Waal en de IJssel een ‘80/20’-verdeling wordt aangehouden: 80% van het surplus wordt afgevoerd via de Waal en 20% via de IJssel. Met alleen de regelwerken is die verdeling met de huidige inrichting van het rivierbed bij de extreem hoge afvoeren niet meer te realiseren. Bij hoogwater zit er een grens aan hoeveel er met de regelwerken de waterverdeling bijgestuurd kan worden. Het vraagt maatregelen op de Boven-Waal om bij die extreme afvoeren voldoende naar de Waal te krijgen. 

Een andere factor die hierbij meespeelt is hoe in de toekomst wordt omgegaan met de rivierbodem van de Rijntakken. De geleidelijke uitschuring van de rivierbodem heeft namelijk ook invloed op de waterverdeling. Maatregelen om die uitschuring tegen te gaan, kunnen bij hoge waterstanden ook zorgen voor meer afvoer naar de Waal. 

Welke opties worden onderzocht?

Zoals beschreven wordt in 2026 besloten over de gewenste verdeling van het surplus bij extreem hoogwater. Hiervoor is onderzocht welke maatregelen in het splitsingspuntengebied nodig zouden zijn om de verschillende afvoerverdelingen voor het surplus boven 16.000 m3/s te realiseren. Naast de huidige ‘surplus-afvoerverdeling’ van 80% via de Waal en 20% over de IJssel, zijn ook de opties ‘2/3 – 1/3’ en ‘50% – 50%’ onderzocht. 

Aanvullend is er ook onderzocht welke invloed de maatregelen hebben, die nodig zijn om de bodemerosie op de Waal tegen te gaan. Uiteindelijk heeft de waterverdeling bij extreem hoogwater effect op hoeveel ruimte er op de Waal en IJssel in de toekomst nodig is, zowel buitendijks als binnendijks. Het besluit over de waterverdeling heeft dus invloed op het besluit over de locaties waar binnendijkse reserveringen nodig zijn.