Spring direct naar de hoofdnavigatie, de zoekfunctie of de inhoud
Leestijd: 12 minuten

Ruimte voor de Rivier; hernieuwde omarming van leven met water

FOTOCREDITS

Een betere bescherming tegen hoogwater van mens en dier én van de enorme economische waarde die in het gebied rond de Rijn(takken) aanwezig is; dat is het doel van het programma Ruimte voor de Rivier. Die betere bescherming is nu eens niet het resultaat van het traditionele recept dijkverhoging. ‘Meebewegen’ met het water is het adagium.

Op meer dan dertig plekken langs de Waal, Merwede, Nederrijn, Lek, IJssel en Bergsche Maas krijgt de rivier meer ruimte om grotere
hoeveelheden water veilig naar zee te kunnen afvoeren. De maatregelen variëren van zomerbedverdieping en kribverlaging tot
uiterwaardvergraving en dijkverleggingen. Dijkverhoging is het sluitstuk. Hoe is deze andere aanpak - naast het tot enkele decennia
geleden zo goed als 'heilige' dijkverzwaringsparadigma - tot stand gekomen? En: wat is de betekenis van de 'Ruimte voor de Rivier'-
benadering voor de toekomst?

Henk Ovink

Ruimte voor de Rivier: een nieuwe aanpak?

Henk Ovink, voormalig waarnemend DG Ruimte en Water van het ministerie Infrastructuur en Milieu, is sinds een aantal jaar adviseur van de Amerikaanse minister voor huisvesting en stedelijke ontwikkeling, Shaun Donovan. Vanuit die rol initieerde hij het ontwerp- en onderzoeksprogramma Rebuild by Design; een programma dat zowel qua benadering als procesaanpak veel overeenkomsten vertoont met Ruimte voor de Rivier en bedoeld is als antwoord op de wateropgaven in de VS die na Katrina en Sandy hoog op de
agenda kwamen. Gevraagd naar zijn visie op de 'Ruimte voor de Rivier'-benadering, zegt Ovink: "Nederland is groot geworden met water, juist door zich er niet tegen te verzetten, maar door ermee te leven. Koppig zijn we altijd wél geweest, natuurlijk."

‘"Nederland is groot geworden met water, juist door zich er niet tegen te verzetten. Ruimte voor de Rivier is een hernieuwde omarming van leven met dat water."’

"Maar rivierverruiming is niet iets dat we eind jaren negentig van de vorige eeuw bedacht hebben. Het principe van het meebewegen met de natuur, bijvoorbeeld door het gebruik van overlaten en het 'afleiden' van teveel aan rivierwater, is heel lang gemeengoed geweest in onze relatie met het water. Wat Ruimte voor de Rivier wel laat zien is dat we met de kennis van nu en de koppeling met de ruimtelijke kwaliteitsdoelstelling op basis van een integrale ontwerpbenadering hele mooie dingen kunnen doen. Meerdere opgaven tegelijkertijd aanpakken. Dat creëert meerwaarde. Maar Ruimte voor de Rivier is niet het zoveelste wereldwonder."

Dijkversterking: vechten tegen het water

Meebewegen met de natuur of vechten tegen het water? De laatste decennia van de vorige eeuw leken oplossingen die de rivier aan banden leggen vaak het meest voor de hand te liggen. Niet in de laatste plaats door de catastrofale gevolgen van de watersnoodramp van 1953. Dat mocht niet nog een keer gebeuren. De overheid gaat aan de slag met de Deltawerken. Maar niet alleen voor de bescherming van het land tegen de zee en het aanzien van de Nederlandse kust is de ramp van 1953 van grote betekenis geweest; ook de waterveiligheid in het rivierengebied komt door de ramp hoog op de agenda. De dijken voldoen niet aan de veiligheidseisen en versterking is noodzakelijk.

Op dat moment - de angst voor het water zit er kort na de ramp van 1953 nog goed in - is het maatschappelijk draagvlak groot. Er staat de rivierdijkbeheerders in het midden van de jaren zestig weinig in de weg om met de grootste dijkversterkingsoperatie ooit te beginnen. Steeds duidelijker wordt echter dat de voorgenomen en daadwerkelijk ter hand genomen versterkingen grote gevolgen hebben voor bewoners en een enorme impact hebben op het karakteristieke dijklandschap. Het aanvankelijk ruim aanwezige draagvlak brokkelt in snel tempo af en de uitgangspunten worden ter discussie gesteld. De strijd die ontstaat tussen dijkversterkers en tegenstanders zal decennia lang duren.

Vanaf de jaren tachtig leggen tegenstanders van de dijkversterkingen steeds vaker de vraag op tafel of er geen alternatieven zijn voor het versterken van de dijken. Bijvoorbeeld in de vorm van overlaatsystemen en zijdelingse afleiding van een teveel aan water. De achterliggende gedachte: het creëren van meer ruimte voor het water en het weer op gang laten komen van natuurlijke sedimentatieprocessen, is een meer duurzame manier van omgaan met water en het op lange termijn behouden van land. Initiatieven
elders in Europa - zoals de aanleg van opvangbekkens langs de Rijn in combinatie met natuurontwikkeling in Duitsland - dragen in belangrijke mate bij aan de toenemende aandacht voor alternatieve benaderingen.

Foto van Wim Silva

Wim Silva

Alternatieven: meer meebewegen met de natuur

Eén van die alternatieve benaderingen is het plan Ooievaar dat in 1986 als winnaar van de door de Eo Wijers stichting uitgeschreven prijsvraag 'Nederland Rivierenland' uit de bus komt. Het plan presenteert een 'nieuwe' manier om met de inrichting van het rivierengebied om te gaan: met het natuurlijke watersysteem en natuurontwikkeling als basis. Hoewel Ooievaar zich niet primair richt op hoogwaterbescherming maar op het herstel van de natuurlijke kwaliteit van de rivier, liggen in de benadering die het plan voorstaat
ook alternatieven voor dijkversterking besloten.

In 1992 verschijnt 'Levende Rivieren', een studie in opdracht van het WNF. De bijdrage van uiterwaardvergraving en in ere herstelde nevengeulen aan rivierverruiming en daarmee aan hoogwaterbescherming komt in deze studie nog veel explicieter aan de orde dan in het plan Ooievaar. "Je zag de belangstelling voor meer ruimtelijke oplossingen in die jaren groeien", vertelt Wim Silva, vanuit Rijkswaterstaat vanaf het begin nauw betrokken bij Ruimte voor de Rivier. "Niet alleen onder bewoners van, en actie- en
belangengroepen in het rivierengebied. Ook in de Tweede Kamer waar vragen werden gesteld over de haalbaarheid van 'Levende Rivieren'. En binnen het toenmalige ministerie van VROM bestond de wens om het hoogwaterbeschermingsbeleid anders en op een meer natuurlijke manier vorm te geven. Alleen de natuur zelf had nog niet gesproken."

Bijna-rampen jagen kogel door de kerk

Lang blijven de rivieren echter niet zwijgen. In 1993 en in 1995 laten ze luid en duidelijk van zich horen door via Maas en Rijn schrikbarend grote hoeveelheden water Nederland binnen te voeren. Het hoogwater van 1993 treft vooral Limburg: 6.000 huizen lopen onder water, 8.000 mensen worden geëvacueerd en de financiële schade is enorm. In 1995 is vooral de Betuwe het toneel van een bijna-ramp. Op 1 februari dreigt de dijk bij Ochten te bezwijken. Hoewel een dijkdoorbraak uitblijft, worden uit voorzorg 250.000
mensen en 1 miljoen dieren naar veiliger oorden geëvacueerd.

In feite jaagt die bijna-ramp van 1995 de kogel door de kerk en beslist het pleit in het voordeel van rivierverruiming in plaats van het enkel en alleen verhogen en verzwaren van de dijken. Cruciaal voor de omslag is het toenemende besef dat klimaatverandering er wel eens toe zou kunnen leiden dat hoogwaters als in '93 en '95 steeds vaker zullen optreden en de af te voeren hoeveelheden water zelfs nog zouden toenemen. Dit zou betekenen dat de dijken flink verhoogd moesten worden en dat dit - bij een voortzetting van de
klimaatverandering - tot in lengte van dagen moet blijven gebeuren. Een scenario dat zelfs voor de grootste voorstanders van dijkversterking moeilijk te verteren was.

‘"Toen het beleidsmatige licht voor rivierverruiming op groen ging, stonden we door al het voorwerk al in de startblokken om aan de slag te gaan." Wim Silva’

Nieuw beleid: dijkversterking en rivierverruiming samen

De omslag krijgt onder meer gestalte met het opstellen van de beleidslijn Ruimte voor de Rivier waarin de ministeries van Verkeer en Waterstaat en VROM in 1996 hun visie presenteren op bescherming van het rivierengebied tegen overstromingen: in plaats van het insnoeren van de rivier met steeds hogere dijken, moet het beleid zich richten op het (terug)geven van ruimte aan het water en het meebewegen met het natuurlijk systeem.

De hoogwaters van 1993 en 1995 leiden echter niet alleen tot nieuw rivierverruimend beleid. Ze vormen ook de aanleiding om te starten met het Deltaplan Grote Rivieren om de dijken die niet voldeden aan de afvoernorm van 15.000 m3/s versneld op sterkte en hoogte te krijgen. De stap van 15.000 m3/s naar 16.000 m3/s - de naar aanleiding van de bijna-rampen bijgestelde (nieuwe) maatgevende afvoer - zou voor rekening komen van rivierverruiming.

De uitvoering van het rivierverruimend beleid krijgt gestalte in de start van twee projecten: het opstellen van de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier en de Spankrachtstudie. De PKB richt zich op het creëren van de ruimte die nodig is om 16.000 m3/s veilig af te kunnen voeren. De Spankrachtstudie buigt zich over de vraag wat bij nog grotere rivierafvoeren de mogelijkheden voor rivierverruiming zijn op de langere termijn. Silva: "Het mooie was dat we voor de PKB niet vanaf 'nul' hoefden te beginnen. We hadden in een aantal studies al heel veel voorwerk gedaan. In feite stonden we daardoor - toen het beleidsmatige licht voor rivierverruiming op groen ging - al in de startblokken om met de PKB Ruimte voor de Rivier aan de slag te gaan; het was toen ook duidelijk dat er een veelheid aan mogelijkheden was om de rivier meer ruimte te geven."

‘"Net als voor dijkverhoging is ook voor rivierverruiming de vraag relevant hoe lang je daar mee door kunt én wilt gaan. Zeker gezien de aanwezige bebouwing."’

De vraag was natuurlijk wel welke van die mogelijkheden een plek zouden moeten krijgen in de PKB. Doel van rivierverruiming is het verlagen van de waterstanden bij hoge rivierafvoeren door het verdelen van dat water over een grotere ruimte. "Dat kun je op heel erg veel verschillende manieren doen", schetst Silva de complexiteit: "Door de uiterwaarden te vergraven, door dijken meer binnendijks te

verleggen, door bypasses te maken die bij een bepaalde waterstand met de rivier gaan meestromen en door kribben te verlagen of obstakels te verwijderen. Noem maar op. En elke ingreep heeft zijn eigen effecten. Er is dus niet één oplossing, maar er is een veelheid van oplossingen en combinaties van maatregelen mogelijk. Vanzelfsprekend moesten die wel voldoen aan harde eisen op het gebied van onder meer benodigde waterstanddaling, budget en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. In totaal hebben we meer

dan 600 mogelijke maatregelen ontworpen samen met belangenorganisaties en overheden."

Uiteindelijk zijn er een kleine 40 maatregelen - van de oorspronkelijke 600 - in de PKB Ruimte voor de Rivier opgenomen. In 2019 is met de oplevering van het project IJsseldelta bij Kampen het gehele programma afgerond. Voor de korte termijn is daarmee de veiligheid van het rivierengebied op orde. Maar hoe zit het met de toekomst? Dan zijn verdere maatregelen nodig. Maar welke vorm krijgen die? Staat de 'Ruimte voor de Rivier'-benadering ook garant voor een veilige toekomst en is er definitief afscheid genomen van het dijkenparadigma.

Foto van Bas Jonkman

Bas Jonkman (Foto: Peter de Krom)

Rivierverruiming: definitief antwoord op veiligheidsvraagstuk?

Gevraagd naar de betekenis van het programma Ruimte voor de Rivier voor de toekomst, zegt Bas Jonkman, hoogleraar Integrale Waterbouwkunde aan de Technische Universiteit Delft: "Het programma levert zeker een belangrijke bijdrage aan de veiligheid en is bovendien een impuls voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dat heeft erg interessante en mooie projecten opgeleverd. Maar op de vraag of we met rivierverruiming een definitief antwoord hebben gevonden op het veiligheidsvraagstuk, is het antwoord naar mijn mening 'nee'. Ruimte voor de Rivier, licht Jonkman toe, heeft vooral effect op de waterstand. "Rivierverruiming leidt ertoe dat dijken minder hoog hoeven te zijn. Maar dat zegt nog lang niet alles over de sterkte van een dijk. De dijken die in New Orleans bezweken na de orkaan Katrina konden het water qua hoogte wel keren, maar ze waren eenvoudigweg niet sterk en stabiel genoeg."

Een van de (faal)mechanismen die kan leiden tot het bezwijken van een dijk is 'piping'. Daarbij gaat het om water dat onder de dijk doorstroomt en binnendijks omhoog komt. Daardoor kan ook zand mee gaan spoelen. Dat ondermijnt de dijk die uiteindelijk kan bezwijken. Jonkman: "Dat mechanisme, waar we nu overigens veel meer van weten en ook beter aan kunnen rekenen dan vroeger,kan al optreden lang voordat er sprake is van een maatgevende afvoer. Tijdens het hoogwater van 2011 - overigens geen bijzonder hoogwater - werden op 18 plekken van die 'piping spots' gevonden. En in 1995 was er tijdens de bijna-ramp op 180 locaties sprake van dit fenomeen. Berekeningen in het kader van het project 'Veiligheid Nederland in Kaart' laten zien dat er voor delen van het rivierengebied op sommige (zwakke) plekken sprake is van doorbraakkansen die vele malen groter zijn variërend van eens in de 100 tot eens in de 500 jaar - dan we met het oog op het wettelijk vastgestelde veiligheidsniveau als samenleving accepteren." Hoewel binnen veel 'Ruimte voor de Rivier'-projecten rekening wordt gehouden met de nieuwe inzichten - in Lent bijvoorbeeld wordt een pipingscherm van 1 kilometer lengte aangelegd - ben je er niet met rivierverruiming, stelt Jonkman. "Ook niet bij een gelijkblijvende maatgevende afvoer. Dat besef is door de toegenomen kennis de laatste jaren steeds sterker toegenomen. Je zult echt iets op het gebied van dijkversterking moeten doen om dat op te lossen."

Klaar voor de toekomst?

Een veelgehoord argument tegen dijkversterkingen is, dat je er niet tot in het oneindige mee door kunt gaan. Jonkman: "Nog afgezien van het feit dat het technisch gezien mogelijk is om nog veel hogere dijken te bouwen, kun je je ook afvragen wat de doorgroeimogelijkheden zijn van rivierverruiming. Met het programma is de eerste stap gezet om de afvoercapaciteit te vergroten en de waterstanden te verlagen. Daarbij zijn de plekken waar dat het 'gemakkelijkst' kon, gepakt. Hoewel je de rivier ook in de toekomst nog meer ruimte kunt geven, denk ik dat dat - zeker gezien de aanwezige bebouwing in het rivierengebied -een steeds lastiger opgave wordt. Alleen al met het oog op de kosten en de maatschappelijke acceptatie. Net als voor dijkverhoging is dus ook voor rivierverruiming de vraag relevant hoe lang je daar mee door kunt én wilt gaan. Scherp gesteld: de ultieme rivierverruiming is natuurlijk het openleggen van het gehele rivierengebied voor het water. In het buitenland is daar overigens soms ook sprake van. Wij hebben de rivieren helemaal bedijkt met een beetje ruimte voor de rivier ertussen. In bijvoorbeeld Thailand is sprake van een open systeem waarbij slechts een klein deel van het gebied - bij steden zoals Bangkok - is bedijkt. Voordat je daarvoor kiest, zul je je als samenleving echter eerst wel even achter de oren krabben."

‘"Rivierverruiming leidt ertoe dat dijken minder hoog hoeven te zijn. Maar dat zegt nog lang niet alles over de sterkte van een dijk."’

Combinatie van interventies

Omgaan met water is voor Ovink vooral een zaak van de juiste mix tussen verschillende benaderingen, dijkversterking en rivierverruiming, waarbij het altijd zaak is op basis van een integrale ontwerpaanpak op zoek te gaan naar het samenbrengen van zoveel mogelijk belangen. "Dat creëert toegevoegde waarde. Ruimte voor de Rivier is daar heel goed in geslaagd. Het is een hernieuwde omarming van onze cultuur van leven met water. Tegelijkertijd moeten we Ruimte voor de Rivier niet als blauwdruk presenteren en zeggen: in het vervolg passen we alleen nog maar 'Ruimte voor de Rivier'-oplossingen toe. Dat is een ontkenning van de complexiteit, er is niet één aanpak maar juist een veelheid aan interventies nodig, in samenhang. In onze relatie met het water isgeen van beide benaderingen zaligmakend. We hebben ze allebei nodig."

Hondsbroeksche Pleij

Hondsbroeksche Pleij

Noordwaard

De combinatie van interventies is ook de rode draad die het in september 2014 gepresenteerde Deltaprogramma volgt. Doel van dit nationale programma - waarin rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen samenwerken - is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en de beschikbaarheid van voldoende zoetwater te waarborgen. Uniek daarbij is dat er wordt gewerkt aan het voorkomen van een ramp. Eén van de in totaal negen deelprogramma's richt zich specifiek op de rivieren: het Deltaprogramma Rivieren. Dit deelprogramma kreeg de opdracht een strategie te ontwikkelen die het rivierengebied ook in de toekomst (2100) veilig en aantrekkelijk houdt. Alle kennis die in Nederland aanwezig is op het gebied van omgaan met water is in dit programma meegenomen; ook de kennis en ervaring die met Ruimte voor de Rivier is opgedaan. Hoewel in het ene deel van het rivierengebied het accent binnen de strategie meer zal liggen op rivierverruiming in plaats van dijkversterking, terwijl het in een ander deel andersom kan zijn, krijgen beide benaderingen in samenhang een plek in de hoogwaterbescherming van de toekomst:

een keuze voor het beste uit twee werelden.

Op de hoogte blijven van longreads

Altijd als eerste de laatste longread direct in uw e-mail?
Dat kan!
Meld u aan door een e-mail voorzien van uw naam en gewenste e-mailadres te sturen naar info@ruimtevoorderivier.nl
U ontvangt daarna altijd de meest recente longread direct in uw e-mail.